Hoe bereid je je in 12 weken voor op een halve marathon?

Je hebt je ingeschreven, de datum staat vast en er zijn twaalf weken. Wat doe je in die weken, en in welke volgorde, zodat je aan de start staat met een lange duurloop in de benen en niet met een blessure?

Waar je moet staan als de twaalf weken beginnen

Twaalf weken is genoeg voor een halve marathon, op één voorwaarde: je loopt nu al. Drie keer per week, met een langste loop van rond de acht tot tien kilometer, is een vertrekpunt waar twaalf weken echt iets mee kunnen. Begin je vanaf nul, dan is de halve marathon een doel voor een volgende kalender; de eerste maanden gaan dan naar de basis, en die stap laat zich niet inhalen.

De reden zit in het verschil tussen je hart en je benen. Je uithoudingsvermogen groeit in weken; je pezen, botten en gewrichtskraakbeen passen zich over maanden aan. Een schema dat je in twaalf weken van vijf naar eenentwintig kilometer brengt, vraagt je benen iets dat ze pas over een half jaar kunnen leveren. Vandaar de voorwaarde.

De lange duurloop groeit uit je eigen historie

Het hart van de voorbereiding is één lange, rustige loop per week. Niet omdat hij zwaar is, maar omdat hij lang is: je lichaam leert er vet te gebruiken als brandstof, je benen wennen aan het aantal stappen, en je hoofd leert hoe het tweede uur voelt.

Hoe lang die loop moet zijn, staat niet in een tabel maar in je eigen logboek. Neem je langste loop van de afgelopen weken als vertrekpunt en maak hem elke week een tot twee kilometer langer, met om de drie of vier weken een week waarin je hem juist inkort. Zo kom je in week tien of elf uit rond de zestien tot achttien kilometer. Meer is niet nodig: de laatste kilometers van de wedstrijd loop je op de spanning van de dag, niet op een duurloop die je al eens gedaan hebt.

De lange loop is rustig. Praattempo, ook als het traag voelt. Het is de meest gemaakte fout van deze twaalf weken: de lange loop op wedstrijdtempo lopen, omdat het wedstrijdtempo nu eenmaal het doel is. Dan kost hij drie dagen herstel en gaat de rest van de week eraan.

Rustig als basis, stevig als uitzondering

Een verdeling die in de duursport breed wordt gebruikt is tachtig-twintig: ongeveer vier vijfde van je looptijd rustig, één vijfde stevig. Rustig is het tempo waarop je in hele zinnen praat; stevig is alles daarboven, van je drempeltempo tot korte snelle stukken.

In een week van drie of vier sessies betekent dat: de lange loop rustig, één of twee korte lopen rustig, en één sessie met stevig werk erin. Die ene sessie is genoeg. Twee stevige sessies in één week zitten elkaar in de weg, omdat je aan de tweede begint voordat je van de eerste hersteld bent.

Het stevige werk mag van vorm wisselen: een keer blokken van enkele minuten rond je drempeltempo, een keer een langer stuk op doeltempo, een keer korte, snelle herhalingen. De variatie houdt het interessant en prikkelt verschillende kanten van je conditie; het volume ervan blijft klein.

Een test op doeltempo, halverwege

Rond week zeven of acht is het tijd voor een benchmark: een sessie waarin je een flink stuk, denk aan acht tot tien kilometer, op het tempo loopt dat je op de wedstrijddag wilt lopen. Niet om te presteren, maar om te meten. Voelt het tempo als iets dat je nog eens ruim tien kilometer kunt volhouden, dan is je doel realistisch. Ben je aan het eind leeg, dan weet je dat nu, en niet op kilometer vijftien van de wedstrijd.

Zo’n test geeft je twee dingen tegelijk: een eerlijk antwoord op de vraag of je doeltempo klopt, en een referentie waar de weken erna tegen afgezet kunnen worden. Wees bereid je doel bij te stellen. Een halve marathon die je op een iets langzamer tempo uitloopt, is een betere ervaring dan een die je op het geplande tempo begint en wandelend eindigt.

De taper: minder volume, dezelfde scherpte

De laatste twee weken voor de wedstrijd doe je minder, niet anders. Het volume gaat omlaag terwijl de sessies hun vorm houden: nog steeds een stukje stevig, nog steeds een lange loop, maar allemaal korter. Je lichaam gebruikt die ruimte om de vermoeidheid van tien weken opbouw af te bouwen, terwijl je conditie in die twee weken nauwelijks zakt.

De valkuil van de taper is de rust zelf. Je voelt je fris, je bent nerveus, en je wilt nog iets doen om zeker te zijn. Dat extra werk levert niets meer op; alles wat je op de wedstrijddag nodig hebt, zit in de weken ervoor. Een taper hoort bij afstanden vanaf tien kilometer. Voor kortere doelen is een rustige laatste week genoeg; een klassieke taper is dan zwaarder dan nodig.

Eten en drinken onderweg

Een halve marathon duurt tussen anderhalf en tweeënhalf uur, en dat is lang genoeg om je koolhydraatvoorraad aan te spreken. Een gangbare richtlijn voor inspanningen van die duur is dertig tot zestig gram koolhydraten per uur: een gel of een paar dadels elk half uur, of sportdrank. Wat je precies neemt, maakt minder uit dan dat je het geoefend hebt.

Oefenen doe je in de lange duurloop. Je maag moet leren eten terwijl je loopt, en dat leert hij alleen door het te doen. Neem vanaf de lange lopen van twaalf kilometer en langer hetzelfde mee als wat je op de wedstrijddag wilt gebruiken, op dezelfde momenten. Voor de wedstrijd zelf geldt: niets nieuws op de dag zelf.

Drinken doe je op dorst en op het weer. Bij koel weer is een slok bij de posten genoeg; bij warmte drink je meer en begin je eerder. Zweetverlies verschilt sterk per persoon, dus ook hier is je eigen ervaring uit de lange lopen de betere maat.

Wat Trimetra hiermee doet

Zet je de wedstrijd in de eventkalender, dan bouwt de planner de weken ernaartoe: de lange loop groeit uit wat je zelf al gelopen hebt, het stevige werk blijft één sessie per week, en de laatste twee weken worden korter terwijl de vorm van de sessies blijft. Die taper krijg je bij doelen vanaf tien kilometer; bij kortere doelen wordt het een rustige laatste week.

Je doelgereedheid staat als score van nul tot honderd in de app, opgebouwd uit hoe regelmatig je traint, hoe je recente belasting zich tot je basis verhoudt en of er een benchmark op je doelafstand is gelopen. Zonder die test blijft dat deel van de score leeg; hij verzint geen cijfer.

Heb je eerder een taper gedaan, dan kijkt de app hoe je daarop reageerde en verschuift hij het volume van de volgende taper een klein beetje in die richting, binnen een smalle marge. Wat je onderweg eet staat bij de sessie: dertig, zestig of negentig gram per uur, afhankelijk van duur en intensiteit. Al die getallen zijn voorstellen; je neemt ze over of laat ze staan.

Veelgestelde vragen

Kan ik een halve marathon lopen zonder ooit 21 kilometer te trainen?

Ja, en dat is ook de bedoeling. Een langste duurloop van zestien tot achttien kilometer is genoeg; de laatste kilometers komen uit de rust van de taper en de spanning van de dag. De volle afstand vooraf lopen kost meer herstel dan hij aan zekerheid oplevert.

Hoe vaak per week moet ik lopen voor een halve marathon?

Drie tot vier keer. Eén lange rustige loop, één sessie met stevig werk en één of twee korte rustige lopen. Meer dagen leveren pas iets op als je die drie of vier al maanden fris volhoudt.

Moet ik eten tijdens een halve marathon?

Bij een looptijd van anderhalf uur of langer helpt het. Dertig tot zestig gram koolhydraten per uur is een gangbare richtlijn. Oefen het in je lange duurlopen, zodat je maag het op de dag zelf al kent.

Wat als ik een week ziek ben in de opbouw?

Ga verder waar je was, niet waar je had willen zijn. Eén week kost weinig: de lange loop van die week sla je over en de week erna pak je de laatste bewezen afstand weer op. Inhalen met twee lange lopen in één week is precies de uitschieter waar blessures uit komen.

Begrippen in dit artikel

Trimetra bouwt de weken naar je wedstrijd op uit je eigen historie, zet de taper op de juiste afstand en zegt per sessie wat je onderweg eet. Loopt de opbouw anders dan gepland, dan verschuift het doel mee in plaats van de weken.